zaterdag 20 maart 2010

Under The Cold Street Lights

Ziehier: de zon schijnt, alle wollige knuffelbeesten kruipen bedeesd uit hun onderaards holleken en -- boempatat! -- daar heeft ook het wollige Arid stoemelings een nieuwe plaat uit. Under The Cold Street Lights is hun vijfde al, maar Steverlinck, Du Pré en Van Havere claimen dat ze nog niets van hun ambitie verloren hebben. Dat vraagt om een check-up, heren!

Met leadsingle Come On zal alvast weinig mislopen. Dat weidse refrein. Die schroeiende strofen. Zalig. Combineer met een goede scheut lentelucht, één open raam naar keuze en wat pk onder de voet, en sta zelf in voor de gevolgen. (Iedereen: “IIIII Lie With Youuu Tonight!”)

Maar krijgt de rest van het album de belofte van Come On ingelost?

Ja en nee. En meer nee dan ja, eigenlijk. Costum Gold (Santigold meets The Killers) kan nog mee, maar zowel Lock And Chain als All That’s Here Is All That’s Left mogen zo op “Knuffelrock: Oma Wil Ook Wat”.

Ook vreemd: het ruige, hoekigere geluid dat ze introduceerden op opener The Flood en Come On wisselen ze nadien even snel weer voor traditionelere bezettingen. Begrijpe wie begrijpe kan, want in de tweede helft verkent Arid wél nieuwe creatieve grond, en dat gaat hun veel beter af. Goed, zelfs, zo bewijst hun semi-uitstapje naar electronica/dubstep (Broken Dancer).

Mogen de lyrics in het vervolg ook meer zijn dan wat halfslachtig poëtisch gewauwel? “Baby this lock and chain / are weighing me down again / and I know this rhythm get hard to hold / baby this love so beautiful” lijkt immers verdacht veel op klinkklare nonsens.

Eerlijk? Under The Cold Street Lights mist iets. Waar is de oempf, dat chilled-to-the-bone-moment? Waarom klinkt alles zo... veilig? Saai? Het is gewoon moeilijk niet te concluderen dat Arid, wat ze zelf ook mogen beweren, iets verloren hebben het afgelopen decennium. Dat sprankeltje inspiratie -- die oempf -- waarvoor New York destijds zwichtte, is zoek. En da’s behoorlijk jammer.

http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Symbol_thumbs_down.svg

Met de hakken over de sloot net geen kotsende jongen.

24 City

In hartje Chengdu (dat ligt, voor de geografisch gehandicapten onder ons, in zuidwestelijk China) vind je tegenwoordig een modern “urban development”-complex dat 24 city heet. Het is het soort plek waar buitenlandse toeristen, die eeuwig wandelende portefeuilles, met de glimlach en de vragende, open hand op hun wenken bediend worden. Zulke westerse oases schijnen even onbesproken als de parelende fonteinen in de lobby’s. Toch?

Honk! Fou-tief! Jia Zhang Ke, je al dan niet bekend van het statige (en toepasselijk genoemde) Still Life, neemt ons mee naar de Chengdu Engine Corporation, de staalfabriek die men sloopte 24 city neer te poten. Aan de hand van negen interviews toont hij ons, anekdote per anekdote, de wrange geschiedenis van die site.

PAKKENDE VERHALEN

24 city laat zich bekijken als een Vlaams tapijt. Elk detail op zich intrigeert, maar het is pas als je overzicht krijgt op het geheel dat alle puzzelstukjes mooi in elkaar vallen. De negen geïnterviewden praten over de glorieuze begindagen van de fabriek, de economisch moeilijke jaren ’70 en haar laatste dagen. Drie generaties Chinezen aan het woord. Elk met een radicaal andere kijk op de vorige en volgende.

Maar in feite is 24 city überhaupt niet het relaas van de Chengdu Engine Corporation. Zelfs de slimme kritiek op de Chinese staat die het verbergt, doet er niet toe. Wat aangrijpt is het boeiende portret van de kleine man. Het zou makkelijk zijn om één van hun pakkende verhaal te citeren, en oorspronkelijk wou ik daar ook mee openen, maar ik ga het laten. Hun verhalen behoren aan henzelf.

TRAAGJES, GESTAAGJES

Net zoals in Still Life neemt Jia Zhang Ke wel de tijd om dingen te vertellen. Hij bouwt – trààgjes – een indringende sfeer op. Shots houdt hij ten minste een volle minuut aan. Die koppigheid siert hem, maar leidt ook de aandacht af. Een groot deel van het publiek zal immers afhaken nog voor de film op, eh, snelheid komt. En het sappigste gedeelte missen.

Het is immers maar tijdens de aftiteling dat de hele puzzel gelegd kan worden. Als je tijdens de film hier en daar iets vreemd opmerkte -- een handeling die wat raar aandeed, een bizarre conversatie: no worries. Het hoort allemaal bij het clevere partijtje schaak dat Jia Zhang Ke met je speelt. Winnen zul je niet. Zet je daar dus even over, huur 24 city en zet je gemakkelijk in de zetel. Let op en de kans is groot dat je uit diezelfde zetel als een completer mens weer opstaat.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Symbol_thumbs_up.svg

How's that for a recommendation?

donderdag 18 februari 2010

De Gans Die Uit De Lucht Viel

Laatst wandelde ik nog even. Het zal de doorsnee stedeling wellicht verbazen, maar sommigen onder ons zijn het kuieren nog niet verleerd. Integendeel. “Een mens ziet nog eens wat als ‘ie zijn beentjes strekt, Joren.” Dat zei mijn meetje altijd. M’n meetje was tegen dan al tachtig en probeerde systematisch haar eigen stront in d’r muil te steken, maar diepzinnig was ze nog steeds.

Het was dus in die montere gemoedstoestand dat ik de Vredesstraat wisselde voor de pittoreskere geneugten van de Resedastraat toen er een gans -- Smak! Patat! -- naast me op het voetpad donderde. Ik kan je zeggen: het was even schrikken. Nu was het nog vroeg en in Antwerpen liggen mensen sowieso niet wakker van een vrouwelijke gil meer of minder, dus houd ik me voor dat m’n reactie veilig aan de omgeving voorbij ging. De gans (laten we hem voor de lol Louie noemen) naast me, echter, reageerde bewonderenswaardig levendig voor een beest dat zonet uit de lucht was komen te vallen: hij krijste en klapperde en bediende zich van de spastische bewegingen waar helden zoals ik het over het algemeen van in hun broek doen. “Ssht,” drong ik dan ook aan. “Ssht!” Het was zaterdagochtend, immers, en wat als al dat gekrijs de buren naar hun ramen lokt? Ze zouden een halfdode gans op het trottoir spotten, een hangjongere die er langs lummelt en hun eigen, bekrompen ideeën vormen. Ik zag m’n mugshot op de voorpagina al en het angstzweet brak me uit. “LOUIE! SSSHT!”

Achteraf is het natuurlijk verleidelijk te peinzen over de mogelijke scenario’s die niet zijn. Ja, ik had gewoon door kunnen wandelen. En, eerlijk, dat had zelfs een ethisch gefundeerde keuze geweest. Ik had er überhaupt niets mee te maken. Het was niet mijn probleem dat Louie naast mij had weten te crashen. Aaah… de heerlijkheid van het parallelle universum.

“Hou u muil!”Een geblokte veertig leunde uit de tweede etage en deed over het algemeen niet bepaald vriendelijk. Nu was het dus wel mijn probleem.

Ik probeerde met handen en voeten duidelijk te maken dat ik hier niets mee te maken had – Ik. Ben. Een. Onschuldige. Bijstaander. – maar Louie bleef kermen en spartelen en meer mensen stonden nu al uit hun ramen te schreeuwen. (“Godverdomme! Wij proberen hier te slapen!” / “Doe dan toch iets! Dat beest is aan het lijden!” / “Welke achterlijken heeft hier het alarm van zijn auto niet afgezet?”)

Enfin, het liep uit de hand. Hier moest actie ondernomen worden. Ik wist natuurlijk wat, maar had uit de grond van mijn hart gehoopt dat het niet nodig zou blijken. Toen Louie echter een uitbundiger register van kreetjes aansloeg en ik een dun straaltje bloed op de stenen zag sijpelen, sjorde ik mijn mannelijkheid tezamen. Wat volgde catalogiseer ik zonder overdrijven als het meest heroïsche moment uit mijn leven.

Ik dacht nauwelijks nog na terwijl ik me stil in positie achter de gans zette. Wat ik me herinner is dat het muisstil werd toen ik de wild flapperende vleugels greep, ze met de grootste moeite in bedwang wist te houden en ik uiteindelijk met m’n vrije hand de nek net achter het hoofd beetnam. Mijn hart racete tegen het licht. Zo klam waren mijn palmen nog nooit. Mijn grip op de vleugels was nihil en zodoende moest ik me haast op Louie leggen om hem in bedwang te houden. Toen deed ik iets wat me in een primitievere cultuur ritueel man had gemaakt. Ik knelde mijn hand toe. Strak. Sterk. Zonder enig mededogen. Daar op het trottoir van de Resedastraat was ik een gans de strot toe aan het knijpen.

Ik slikte het overtollige speeksel weg terwijl ik het laatste restje leven uit Louie perste. Toen ik me er van had vergewist dat ‘ie dood was, klauterde ik langzaam weer recht en werd niet onaangenaam onthaald op een oorverdovend applaus. Ja, ik was me de held wel. Vaders, laat u dochters aanrukken! Hier staat een burger die weet hoe de natuur aan te pakken.

Vrij snel erna kwam de dierenbescherming. Blijkbaar had een alertere burger dan ik ze op de hoogte gesteld, want ze parkeerden vlotjes voor mijn voeten en schoten als volleerde professionals de auto uit. De dierenbescherming verkwistte geen tijd. Zoveel was zeker. “Is dit de gans in kwestie?” Veel andere ganzen waren er in de omtrek niet bepaald te bespeuren, maar dat vertelde ik hun niet.

“Doe geen moeite. Ik heb hem juist uit z’n lijden verlost.” Ik kon een zweem van trots niet onderdrukken. De dierenbescherming, daarentegen, leek die trots nu niet bepaald te delen. Ze staarden me aan. “U, eh, U bent op de hoogte dat we hier met een Hawaïgans te doen hebben? Da’s een beschermde diersoort en er zijn maximum nog zo’n – Patrick, wat denkt ge? Vijftig?” “Vijftig? Oh! Maximum, Karl. Maximum. Zeker niet meer.” “Er zijn maximum nog zo’n vijftig in de hele wereld. U zegt dat u deze gans, eh, doodde?”

Ik las Karl’s psychotische kop en voelde instinctief aan dat ik hier ofwel juist ofwel heel fout op antwoorden kon. Ik ging voor de weg die me het minst op zekere dood leek. “Eh. Neenee, ik wandelde gewoon voorbij en zag hem liggen. Eh, dood, dus. Niet levend.” Karl hervond dadelijk de vreugde van het leven. “Ah. Schitterend. En u belde de dierenbescherming. Een wakkere burger. Schitterend. Nou, nee, dan bent u vrij om te gaan.” Karl schudde m’n hand nog en met een rode kop en onder tientallen priemende blikken wisselde ik de pittoreske Resedastraat voor de relatieve vrede van de Vredestraat. Daar trok ik m’n sjaal aan en besloot nooit, nooit, nooit nog terug te keren.

Maar wat doet zo’n Hawaïgans überhaupt in België? Ik bedoel: hoe achterlijk kan een beest zijn dat het de Belgische winter voor Hawaï aanziet? Wordt het dan niet hoog tijd dat we de natuur eens zijn vrije loop laten? Louie, je hebt hogere breinfuncties of je hebt ze niet. Pech gehad, zeg ik. De natuur wil je dood. Darwin wil je dood. Get with the program.

Zucht. Voor nu schort ik het wandelen maar even op. Een mens ontdekt te veel over zichzelf als ‘ie wandelt. En m’n meetje mocht al veel zeggen; dàt kan nooit de bedoeling zijn geweest.

;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Symbol_thumbs_down.svg

zaterdag 30 januari 2010

Frieten Met Mayonaise


Hoeveel dagen zouden er feitelijk voorbij gaan voor ik mij wat chauvinisme laat passeren? Of zouden het dezer tijden al maanden zijn?

Ach, het zijn er vast genoeg, en verwondert dat? Nee, natuurlijk niet, want net zoals u ben ik Belg. (Tenzij u Nederlander of Surinamer of Zuid-Afrikaan bent. Dan bent u vast geen belg.) En laat België nu net de prent-naast-het-lemma-definitie wezen van een achterlijk kutland. Een mens snoert al gauw het chauvinisme voorbarig de mond, als hij met (en in) zoiets leven moet. Nounou, hoor ik u mopperen, want ook mopperen is de prent-naast-het-lemma-definitie van België, zo erg is het hier toch allemaal niet? Akkoord, we hebben achterlijk kutweer, achterlijke kutbejaarden en een hele hoop achterlijke kutpolitiekers, maar laat ons wel wezen, we hebben toch ook friet met mayonaise, zekers? Ah juist ja, zegt ik, ge hebt gelijk. Friet met mayonaise hebben we. En nergens zo lekker als hier zelfs. Daar hebt ge een punt zo groot als het punt achter deze zin.

Viel dat punt wat tegen? Geweldig. Want niets, oh niets, is achterlijker dan kutfrieten-met-mayonaise. U hebt mij goed gelezen. Ik joeg kut en frieten-met-mayonaise aan elkaar tot één glorieus kutwoord. Als heiligschennis kan dat al tellen, hoop ik. Elk land dat gebakken, in rechthoekjes gesneden aardappel met trots tot zijn nationaal gerecht uitroept, zou immers spontaan anaal verkracht moeten worden door Mugabe, Kim Jong II en Ronald Janssen tezamen. Als dat niet alle hoop op internationale succesbelgen leuk de kop indrukt... “So you’re Belgian?” “Yeszekers.” “And your favorite dish is french fries?” “Er. Yes.” “Like McDonald-fastfood-kinda-french fries?” “Er. Well - Yes.” “Oh. Okay. (hier komt dan uw standaard licht gênante pauze) We’ll call you.”

Tot slot wil ik nog even kwijt dat de Belg de friet naar alle waarschijnlijkheid zelf niet eens uitvond. Dat waren dan toch de fransen. Check wikipedia en ween!

Ahem -- excuseert u mij nu even terwijl ik me als trouwe Belg vlugvlug naar het frietkot haast? België is dan wel een behoorlijk achterlijk kutland -- al de resterende landjes er rond zijn nog veel achterlijk kut dan wij. En, godverdegodver, dàt mag al eens gevierd worden met een vettige, rechthoekige, achterlijke kutfriet! Met mayonaise!

Santé!


http://nl.wikipedia.org/wiki/Bestand:Symbol_thumbs_up.svg

Jemig, dat smaakte.

Godsamme! Was ik maar een kikker!


Ik dacht het laatst nog, zwevend tussen verveling en trance in de wachtrij van het postkantoor. Godsamme! Was ik maar een kikker! Het scheen mij een bijzondere gedachte, eentje die ik graag wou koesteren tussen de enveloppen, de briefkaarten, de postzegels en weet-ik-wat-voor-ander-postjargon en dat deed ik dus ook. Is het immers geen wonderschone gedachte? Ik vind in elk geval zeer zeker van wel en ik kan u meedelen dat het me het komende half uur behoorlijk overeind hield. Het is dan ook met grote vaderlijke trots dat ik vanaf nu tot het eind ter tijden de grote “Godsamme! Was ik maar een kikker!”-wedstrijd in het leven roep. Benieuwd? De spelregels zijn simpel, en toch geniaal. U staat in een rij (liefst één aan postkantoorgebouwen, maar dat hoeft ook weer niet per se). U zweeft tussen verveling en trance. U denkt plots “Godsamme! Was ik maar een kikker!” Proficiat dan. U won het spel. Geen prijs, jammer genoeg. Alleen de zoete, zoete smaak van overwinning. Alleszins veel succes, spelgenot en moge de beste winnen!


Ik kijk alvast uit naar m’n volgend partijtje!

woensdag 6 januari 2010

(500) Days Of Summer


'(500) Days Of Summer' formuleert, naast nog wat andere mumbojumbo, het antwoord op de vraag wat er nu eigenlijk van die Joseph Gordon-Levitt geworden is. Mijn generatie zag hem eeuwen geleden elke avond ketnet-gewijs kindsterretje wezen in 30 rock from the sun, en de eeuwen van 30 rock from the sun-loze avonden erna bleken voor sommigen voldoende om zich af te vragen of de jongen überhaupt nog leefde. Geen evidente vraag in het Hollywood van 2009 uiteraard, waar alle beroemheden plotsklaps lijken te bezwijken aan een mediageile, dodelijke variant op de mexicaanse griep. Maar, of zo leert het min-of-meer-debuut van Marc Webb ons toch, woe nothing: Joseph Gordon-Levitt leeft, blijkt doodgewoon kerngezond op de koop toe en kreeg er wegens evolutionairtechnische redenen nog eens een baard in én op de keel bovenop. Nou moe!

Acteren doet ‘ie ook nog steeds trouwens, en vijfhonderd zomerdagen lang mag hij zijn, ahem, ‘spel’ tentoonspreiden naast Zooey ‘my eyes are quite literally bigger dan my stomach’ Deschanel.

Om niet langer rond de pot te draaien en gewoon toe te geven: ik vond '(500) Days Of Summer' wreed charmerend. Een beetje zoals ‘Adventureland’ van Greg Mottola eerder dit jaar ook een gevoelige snaar wist te raken -- ondanks de voor de hand liggende gebreken van die film. Ik ga zelfs verder. '(500) Days Of Summer', hoewel een verschrikkelijke titel om steeds weer uit te typen, bewijst dat de romantische komedie, als Ben Stiler of Jennifer Aniston in geen verste verten te bespeuren zijn, de beroerendste aller genre’s kan zijn. Des te jammerder dan ook dat voor elke ‘When Harry Met Sally...’ we ons eerst door vijfhonderd ‘Along Came Polly’’s worstelen. Maar goed, als zo’n parel uiteindelijk z’n weg naar ons toe vind, zijn we misschien des te dankbaarder.

Daarom -- dank je, Webb, Neustadter, Weber, om een film te maken dat geen meesterwerk wil zijn, maar doodgewooon een eerlijk, modern, bitterzoet, all-round grappig tegengif voor elk vals-sentimenteel braaksel dat zich vermomd als chick flick. Wie was het immers die ooit bepaalde dat het onderwerp liefde enkel vrouwen aangaat? Dat ik de snodaard bij de ballen grijp en macho-gewijs z’n eigen mannelijkheid laat opvreten. Grrr...

Zo! Genoeg testosteron voor vandaag -- toedels!

Jaren getwijfeld op het hij nu een ster, dan wel een duim waard was. Heb ik m’n hoofd echter zo op hol gekregen met lof dat ik niet anders meer kan. Kan ook niet meer bedenken dat me echt stoorde. Aldus...

Twilight: New Moon



En plots, in een oerknal van duizenden gillende tienermeisjes, was Twilight overal; op de achterkant van bussen, de voorkant van t-shirts, in het hoofd van iedereen die zich onverhoeds aan het 21ste eeuwse internet gewaagd had. Er werd geen roddelblad opengeslagen of de tienersterren lonkten en pruilden er naast schreeuwerige blokletters, er werd geen zender weggezapt of intense vampiers scanden zwoel de huiskamer. Niemand, vijftienjarige bakvissen excluded, die ook scheen te weten wat er nu feitelijk aan de hand was. Voelden we ons allemaal niet een beetje als die arme John McCain, toen? Onze kleine mollenoogjes priemend, onze geest steeds even troebel. Ach, dat vreemde, vorige decennium toch. Aangespoeld op de banken van 2010 schudden we voor een laatste keer niet-begrijpend onze hoofden, vegen we de glitter van de mouwen, en terwijl we traagjes, op de tast, het oerwoud van de jaren tien instappen, beelden we ons in dat de tijden er vast veranderd zijn.

Oh, ijdele, ijdele hoop. Twilight beviel inmiddels van een nieuwe telg, doopte het “Twilight: New Moon” en ik kwam er recentlijk (schoorvoetend) op visite. Mag ik bijgevolg de geruchten bevestigen? “Twilight: New Moon” is, mijn god!, een behoorlijk achterlijk kind. Obese, dom en saai in ways you’ve never thought of before scheen me hier een laattijdige abortus meer dan verantwoord. Waar “Twilight” immers gebald en leuk verteld was, blijkt “New Moon” een ordinaire soap, gemaakt met te veel geld en te weinig tijd. Chris Weitz regisseert, hoewel men een Twilight natuurlijk niet regisseren kàn. Een Twilight producet men. Men luncht met de aandeelhouders en herwerkt het scenario met grafieken en taartdiagrammen naast zich. Zo’n Chris Weitz komt waarschijnlijk niet verder dan ‘actie!’ en ‘cut!’. Als ‘ie geluk heeft, mag hij hier en daar de blote borstkast van Taylor Lautner nog wat opblinken. Hoewel, zouden ze daar geen assistent-regisseurs voor hebben, tegenwoordig?

Ten slotte wil ik nog even kwijt dat ik me stoorde aan de protserige vleesparade waarop de hele franchise uiteindelijk gebouwd is. Het is één ding om het doelpubliek in het oog te hebben. Het is een ander om zonder enige verhaaltechnische reden een troep halfnaakte jongens over het scherm te laten hossen. En verder wil ik er liefst gewoon helemaal niet meer over nadenken.

Ha!


Mooie openingsscène, dat wel.