woensdag 25 augustus 2010
Orka en Ik
maandag 5 juli 2010
Twee
De jongen met het donkerste vel wendt angstig zijn blik af als hij me tijdens het onbijt geamuseerd hun momentje ziet delen. Ik wil hem zeggen dat het allemaal zo erg niet is.
De avond voor ik uitcheck zit ik nog even langs het zwembad om me heen te staren. Alle toeristen zitten voor de tv. Al het personeel zit voor de tv. De waterfilter mort en pruttelt. Achter een donker raam zie ik hoe twee jongens elkaar kruisen. Schichtig wisselen ze een kus. Ik merk hoe een van hen een seconde zijn ogen sluit.
Daarna jagen hun ranke lichamen zich uit elkaar op een manier die verraad dat ze er nog niet helemaal vertrouwd mee zijn. Ik schat ze achttien of negentien.
Ik wil hen zeggen dat het allemaal zo erg niet is.
De Badmeester
Als een van de bomen rondom een blad lost, gaat hij als volgt te werk: hij pakt zijn lange stok en vist het eruit. Dat is zijn job.
Als het zwembad proper is, houdt hij het in de gaten. Met zijn lange stok in de aanslag kijkt hij bezorgd toe. Hij is er niet gerust op. Er moest maar eens een blad lossen. Ook dat is zijn job.
Ik neem aan de hij overdag fantaseert over een uniform en 's nachts droomt over fooien. Over een schouderklopje of een beloning voor het goede werk. Misschien verdenkt hij zichzelf ervan zich niet hard genoeg in te zetten.
De dag erop probeert 'ie dus beter. Hij ontwikkelt nieuwe technieken voor het vissen, kan het vallen van de bladeren intussen al voorspellen aan de hand van de wind.
Want de badmeester vist de bladeren uit het zwembad; dat is zijn job.
Nu al veertig jaar.
Negers
Ik knikte; dat had ik. Ze bewoog haar hoofd naar links en recht op een manier die men tragisch kon noemen. 'Tsss,' zei ze. 'Negers.'
Ik wachtte geduldig tot ze mijn paspoort zou afstempelen. In plaats daarvan keek ze argwanend naar de zwarte jongeman in de verte.
'Negers.'
'Ja,' zei ik.
'Hebt u negers in Belgie?'
'Eh.'
Ze glimlachte haar parelwitte tanden bloot en knikte gedecideerd. 'Ooit kom ik naar Belgie.' Haar geschater tuimelde door de marmeren hal. De jongeman in de verte keek om. Gealarmeerd trok ze een wenkbrauw op en snoof in de lucht.
Haar zwarte hand zweefde nog steeds boven het rode boekje.
Onze ogen ontmoetten elkaar. Nu glimlachte ook ik. Wat kan een mens anders?

zaterdag 20 maart 2010
Under The Cold Street Lights

Ziehier: de zon schijnt, alle wollige knuffelbeesten kruipen bedeesd uit hun onderaards holleken en -- boempatat! -- daar heeft ook het wollige Arid stoemelings een nieuwe plaat uit. Under The Cold Street Lights is hun vijfde al, maar Steverlinck, Du Pré en Van Havere claimen dat ze nog niets van hun ambitie verloren hebben. Dat vraagt om een check-up, heren!
Met leadsingle Come On zal alvast weinig mislopen. Dat weidse refrein. Die schroeiende strofen. Zalig. Combineer met een goede scheut lentelucht, één open raam naar keuze en wat pk onder de voet, en sta zelf in voor de gevolgen. (Iedereen: “IIIII Lie With Youuu Tonight!”)
Maar krijgt de rest van het album de belofte van Come On ingelost?
Ja en nee. En meer nee dan ja, eigenlijk. Costum Gold (Santigold meets The Killers) kan nog mee, maar zowel Lock And Chain als All That’s Here Is All That’s Left mogen zo op “Knuffelrock: Oma Wil Ook Wat”.
Ook vreemd: het ruige, hoekigere geluid dat ze introduceerden op opener The Flood en Come On wisselen ze nadien even snel weer voor traditionelere bezettingen. Begrijpe wie begrijpe kan, want in de tweede helft verkent Arid wél nieuwe creatieve grond, en dat gaat hun veel beter af. Goed, zelfs, zo bewijst hun semi-uitstapje naar electronica/dubstep (Broken Dancer).
Mogen de lyrics in het vervolg ook meer zijn dan wat halfslachtig poëtisch gewauwel? “Baby this lock and chain / are weighing me down again / and I know this rhythm get hard to hold / baby this love so beautiful” lijkt immers verdacht veel op klinkklare nonsens.
Eerlijk? Under The Cold Street Lights mist iets. Waar is de oempf, dat chilled-to-the-bone-moment? Waarom klinkt alles zo... veilig? Saai? Het is gewoon moeilijk niet te concluderen dat Arid, wat ze zelf ook mogen beweren, iets verloren hebben het afgelopen decennium. Dat sprankeltje inspiratie -- die oempf -- waarvoor New York destijds zwichtte, is zoek. En da’s behoorlijk jammer.
![]()
24 City

In hartje Chengdu (dat ligt, voor de geografisch gehandicapten onder ons, in zuidwestelijk China) vind je tegenwoordig een modern “urban development”-complex dat 24 city heet. Het is het soort plek waar buitenlandse toeristen, die eeuwig wandelende portefeuilles, met de glimlach en de vragende, open hand op hun wenken bediend worden. Zulke westerse oases schijnen even onbesproken als de parelende fonteinen in de lobby’s. Toch?
Honk! Fou-tief! Jia Zhang Ke, je al dan niet bekend van het statige (en toepasselijk genoemde) Still Life, neemt ons mee naar de Chengdu Engine Corporation, de staalfabriek die men sloopte 24 city neer te poten. Aan de hand van negen interviews toont hij ons, anekdote per anekdote, de wrange geschiedenis van die site.
PAKKENDE VERHALEN
24 city laat zich bekijken als een Vlaams tapijt. Elk detail op zich intrigeert, maar het is pas als je overzicht krijgt op het geheel dat alle puzzelstukjes mooi in elkaar vallen. De negen geïnterviewden praten over de glorieuze begindagen van de fabriek, de economisch moeilijke jaren ’70 en haar laatste dagen. Drie generaties Chinezen aan het woord. Elk met een radicaal andere kijk op de vorige en volgende.
Maar in feite is 24 city überhaupt niet het relaas van de Chengdu Engine Corporation. Zelfs de slimme kritiek op de Chinese staat die het verbergt, doet er niet toe. Wat aangrijpt is het boeiende portret van de kleine man. Het zou makkelijk zijn om één van hun pakkende verhaal te citeren, en oorspronkelijk wou ik daar ook mee openen, maar ik ga het laten. Hun verhalen behoren aan henzelf.
TRAAGJES, GESTAAGJES
Net zoals in Still Life neemt Jia Zhang Ke wel de tijd om dingen te vertellen. Hij bouwt – trààgjes – een indringende sfeer op. Shots houdt hij ten minste een volle minuut aan. Die koppigheid siert hem, maar leidt ook de aandacht af. Een groot deel van het publiek zal immers afhaken nog voor de film op, eh, snelheid komt. En het sappigste gedeelte missen.
Het is immers maar tijdens de aftiteling dat de hele puzzel gelegd kan worden. Als je tijdens de film hier en daar iets vreemd opmerkte -- een handeling die wat raar aandeed, een bizarre conversatie: no worries. Het hoort allemaal bij het clevere partijtje schaak dat Jia Zhang Ke met je speelt. Winnen zul je niet. Zet je daar dus even over, huur 24 city en zet je gemakkelijk in de zetel. Let op en de kans is groot dat je uit diezelfde zetel als een completer mens weer opstaat.
![]()
How's that for a recommendation?
donderdag 18 februari 2010
De Gans Die Uit De Lucht Viel
![]()
Laatst wandelde ik nog even. Het zal de doorsnee stedeling wellicht verbazen, maar sommigen onder ons zijn het kuieren nog niet verleerd. Integendeel. “Een mens ziet nog eens wat als ‘ie zijn beentjes strekt, Joren.” Dat zei mijn meetje altijd. M’n meetje was tegen dan al tachtig en probeerde systematisch haar eigen stront in d’r muil te steken, maar diepzinnig was ze nog steeds.
Het was dus in die montere gemoedstoestand dat ik de Vredesstraat wisselde voor de pittoreskere geneugten van de Resedastraat toen er een gans -- Smak! Patat! -- naast me op het voetpad donderde. Ik kan je zeggen: het was even schrikken. Nu was het nog vroeg en in Antwerpen liggen mensen sowieso niet wakker van een vrouwelijke gil meer of minder, dus houd ik me voor dat m’n reactie veilig aan de omgeving voorbij ging. De gans (laten we hem voor de lol Louie noemen) naast me, echter, reageerde bewonderenswaardig levendig voor een beest dat zonet uit de lucht was komen te vallen: hij krijste en klapperde en bediende zich van de spastische bewegingen waar helden zoals ik het over het algemeen van in hun broek doen. “Ssht,” drong ik dan ook aan. “Ssht!” Het was zaterdagochtend, immers, en wat als al dat gekrijs de buren naar hun ramen lokt? Ze zouden een halfdode gans op het trottoir spotten, een hangjongere die er langs lummelt en hun eigen, bekrompen ideeën vormen. Ik zag m’n mugshot op de voorpagina al en het angstzweet brak me uit. “LOUIE! SSSHT!”
Achteraf is het natuurlijk verleidelijk te peinzen over de mogelijke scenario’s die niet zijn. Ja, ik had gewoon door kunnen wandelen. En, eerlijk, dat had zelfs een ethisch gefundeerde keuze geweest. Ik had er überhaupt niets mee te maken. Het was niet mijn probleem dat Louie naast mij had weten te crashen. Aaah… de heerlijkheid van het parallelle universum.
“Hou u muil!”Een geblokte veertig leunde uit de tweede etage en deed over het algemeen niet bepaald vriendelijk. Nu was het dus wel mijn probleem.
Ik probeerde met handen en voeten duidelijk te maken dat ik hier niets mee te maken had – Ik. Ben. Een. Onschuldige. Bijstaander. – maar Louie bleef kermen en spartelen en meer mensen stonden nu al uit hun ramen te schreeuwen. (“Godverdomme! Wij proberen hier te slapen!” / “Doe dan toch iets! Dat beest is aan het lijden!” / “Welke achterlijken heeft hier het alarm van zijn auto niet afgezet?”)
Enfin, het liep uit de hand. Hier moest actie ondernomen worden. Ik wist natuurlijk wat, maar had uit de grond van mijn hart gehoopt dat het niet nodig zou blijken. Toen Louie echter een uitbundiger register van kreetjes aansloeg en ik een dun straaltje bloed op de stenen zag sijpelen, sjorde ik mijn mannelijkheid tezamen. Wat volgde catalogiseer ik zonder overdrijven als het meest heroïsche moment uit mijn leven.
Ik dacht nauwelijks nog na terwijl ik me stil in positie achter de gans zette. Wat ik me herinner is dat het muisstil werd toen ik de wild flapperende vleugels greep, ze met de grootste moeite in bedwang wist te houden en ik uiteindelijk met m’n vrije hand de nek net achter het hoofd beetnam. Mijn hart racete tegen het licht. Zo klam waren mijn palmen nog nooit. Mijn grip op de vleugels was nihil en zodoende moest ik me haast op Louie leggen om hem in bedwang te houden. Toen deed ik iets wat me in een primitievere cultuur ritueel man had gemaakt. Ik knelde mijn hand toe. Strak. Sterk. Zonder enig mededogen. Daar op het trottoir van de Resedastraat was ik een gans de strot toe aan het knijpen.
Ik slikte het overtollige speeksel weg terwijl ik het laatste restje leven uit Louie perste. Toen ik me er van had vergewist dat ‘ie dood was, klauterde ik langzaam weer recht en werd niet onaangenaam onthaald op een oorverdovend applaus. Ja, ik was me de held wel. Vaders, laat u dochters aanrukken! Hier staat een burger die weet hoe de natuur aan te pakken.
Vrij snel erna kwam de dierenbescherming. Blijkbaar had een alertere burger dan ik ze op de hoogte gesteld, want ze parkeerden vlotjes voor mijn voeten en schoten als volleerde professionals de auto uit. De dierenbescherming verkwistte geen tijd. Zoveel was zeker. “Is dit de gans in kwestie?” Veel andere ganzen waren er in de omtrek niet bepaald te bespeuren, maar dat vertelde ik hun niet.
“Doe geen moeite. Ik heb hem juist uit z’n lijden verlost.” Ik kon een zweem van trots niet onderdrukken. De dierenbescherming, daarentegen, leek die trots nu niet bepaald te delen. Ze staarden me aan. “U, eh, U bent op de hoogte dat we hier met een Hawaïgans te doen hebben? Da’s een beschermde diersoort en er zijn maximum nog zo’n – Patrick, wat denkt ge? Vijftig?” “Vijftig? Oh! Maximum, Karl. Maximum. Zeker niet meer.” “Er zijn maximum nog zo’n vijftig in de hele wereld. U zegt dat u deze gans, eh, doodde?”
Ik las Karl’s psychotische kop en voelde instinctief aan dat ik hier ofwel juist ofwel heel fout op antwoorden kon. Ik ging voor de weg die me het minst op zekere dood leek. “Eh. Neenee, ik wandelde gewoon voorbij en zag hem liggen. Eh, dood, dus. Niet levend.” Karl hervond dadelijk de vreugde van het leven. “Ah. Schitterend. En u belde de dierenbescherming. Een wakkere burger. Schitterend. Nou, nee, dan bent u vrij om te gaan.” Karl schudde m’n hand nog en met een rode kop en onder tientallen priemende blikken wisselde ik de pittoreske Resedastraat voor de relatieve vrede van de Vredestraat. Daar trok ik m’n sjaal aan en besloot nooit, nooit, nooit nog terug te keren.
Maar wat doet zo’n Hawaïgans überhaupt in België? Ik bedoel: hoe achterlijk kan een beest zijn dat het de Belgische winter voor Hawaï aanziet? Wordt het dan niet hoog tijd dat we de natuur eens zijn vrije loop laten? Louie, je hebt hogere breinfuncties of je hebt ze niet. Pech gehad, zeg ik. De natuur wil je dood. Darwin wil je dood. Get with the program.
Zucht. Voor nu schort ik het wandelen maar even op. Een mens ontdekt te veel over zichzelf als ‘ie wandelt. En m’n meetje mocht al veel zeggen; dàt kan nooit de bedoeling zijn geweest.
;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;;![]()